Categoriearchief: Spinsels

wat ik kwijt wil, met je wil delen, of zomaar wil schrijven

In het voorbijgaan

Ik sta met mijn knieën tegen de verwarming als ik naar buiten kijk. De lucht is grijs. Aan de horizon staat vaag het dorp. Dichterbij kleuren de bomen donker tegen de nevel. De lucht zit vol motregen die gestaag neervalt. Weidepalen blinken van het nat.

Wat verder op de weg nadert ze, de jonge vrouw. Ze draagt een lange glimmende regenjas met capuchon. De metalen halsketting aan de hondenriem houdt een fors beest in bedwang. De arm van de vrouw beweegt strakgetrokken op en neer. De bek open, glimmende tanden, sleurt de hond haar voorwaarts. Draden speeksel waaien tegen de onderkant van de jas.

Met stevige stappen nadert ze mijn huis. Haar voeten steken in groene rubberlaarzen. Een waterplas spat uiteen als haar voetstap neerkomt. De hond zet zijn voorpoten om en om neer. Zijn kop glanst en zijn borst steekt vooruit als die van een overwinnaar. Het regenwater druipt van de hondenrug.

Kijk, als ze voorbij mijn raam loopt, zie ik haar gezicht als een lichte vlek in de schaduw van de capuchon. Ze oogt vriendelijk, rustig, gelaten misschien. Ze neemt de gestage regen als vaststaand gegeven. Vallend water waarin zij loopt, leeft en is.

Kijk, hoe flink ze voortgaat. De riem snoert om haar smalle hand die blinkt van het nat. De ketting trekt in de hals van het beest.

Niemand op de weg, lost ze de hond. Het beest rent weilanden ver weg en stuift weer terug naar haar. Loopt kwispelend om haar heen en schiet langs de velden. Het hondenbeest geniet van zijn vrijheid.

Ze laat het dier hier dagelijks uit. Jaren al.

Net even buiten de bebouwde kom. Weg van de stad, de huizen, het verkeer, de mensen. Alleen in de natuur. Met je gedachten langs de weilanden. ‘Uitwaaien,’ noemt ze dat.

Zag ik haar, spraken we over de koeien achter het prikkeldraad, hun zwartbonte vellen, de hoornloze koppen. Hoe de krokussen zich uit de zwarte aarde duwden. Over de openspattende knoppen van de kastanjebomen. De dorst van de planten en het verwaaien van mul zand.

‘Braaf Reggi,’ zei ze en trok de hond naar zich toe.

Over purper en felgeel van het blad aan de struiken. De rottende bladeren, schimmels en woekerende zwammen.

En over haar studie in de naburige stad. Het voorbije examen. Haar sollicitaties en de nieuwe baan. Ze woonde niet langer bij haar ouders.

Of ik ook naar het concert van Bach gekeken had op tv.

Maar dat had ik niet. ‘Ik houd meer van Led Zeppelin.’

‘Stairway to heaven,’ wist ze.

‘Ik luister wel eens klassiek. De canonische variaties van Bach heb ik op cd staan,’ vertelde ik.

‘Kom Reggi. Zit!’ En het forse beest zette zich neer aan haar voeten. Keek mij aan. Tong uit de mond.

‘Doet niets,’ zei ze.

Ik knikte snel.

Een Harley rommelde voorbij.

‘Chroom en staal,’ zei ze. En ‘hardtail.’

‘Daar heb ik altijd al op willen rijden. En zoals heel de mannenhelft, ooit doe ik het.’

‘Niets mooier dan durende dromen,’ zei ze. ‘Ik rijd met je mee.’

‘Kom Reggi’ en ‘Ik zie je’.

‘Tot ziens maar weer.’ Ik keek haar na.

-Misschien huur ik ooit een motor, lachte mijn hoofd.

 

En dan, zie ik haar niet meer. Zo plots als ze gekomen was, zo plots bleef ze weg. Niets bijzonders, dan alleen verwondering, een gemis. Wat ongemakkelijk misschien voor mij. Of mogelijk wel ongerust. Soms bleef ik wat langer buiten, in de tuin, langs de haag. Harkte ik die dag nog maar eens het pad aan. Keek ik de weg af. Nog eens. Verlangend, maar dat kon niet, want ze was alleen maar van het voorbijgaan.

 

Op een dag begin september was ze daar weer. Met de hond, gehoorzaam nu. Rustig weer. Late zonneschijn.

‘Goedemiddag,’ zei ik ‘waar ben je geweest? Ik heb je zo lang niet gezien.’

Ik zag haar ogen toen ze me aankeek. Wat naar binnen gekeerd. Tegelijk ook vriendelijk en vertrouwd.

‘Dat is niet waar,’ zei ik nog.

Maar ze knikte.

‘Echt wel kanker en niets meer aan te doen. Een paar weken nog, of maanden.’ God weet, maar zij niet, lachte ze.

‘Het sleurt me verder en ik kan het niet tegenhouden. Het gebeurt hier.’ En ze legde haar handen op haar buik.

‘Het is mijn groot beest,’ zei ze tegen me. ‘En ik kan mijn hand niet lossen.

Zit,’ zei ze. En ze lachte: ‘Af!’

-De moed, dacht ik, de moed.

En ze kwam vaker, want het ommetje korter. Zo maar even langs.

‘Wil je misschien wat drinken?’ vroeg ik.

‘Lekker,’ zei ze en ik schonk ijsthee onder het afdak op deze warme herfstdag. Er waaide wat zand door de tuin.

Ze wilde niet gecremeerd. Nee, gewoon begraven. Het lijf in de aarde en zij een engel. Geen toespraken van hoe goed ze geweest en voor wie een steun.

‘Wil je echt begraven worden? Is dat uiteindelijk hoe je wilt blijven?’

Nee, eigenlijk wilde ze haar uitvaart in zijden lappen gewikkeld en dan achterop de motor.

 

Ik zie haar niet meer. Wat ongemakkelijk misschien voor mij. Of mogelijk wel ongerust. Een gemis. Soms blijf ik wat langer buiten, in de tuin, langs de haag. Kijk ik de weg af. Verlangend, maar dat kan niet, want ze was alleen maar van het voorbijgaan.

  • Dit prachtige verhaal mocht ik lezen van René Spruijt. En overleg mocht ik het publiceren op Knappers.nl. Omdat mooie verhalen en boeken mogen reizen. Wil je meer lezen van René, check dan https://spruijt-n-spruyt.nl/ 

Als ik de piekelee uit ga

Natuurlijk ben ik het voorlopig niet van plan. Om de ‘piekelee uit te gaan’. Wat mij betreft is dit overigens een prachtige (volgens mij oud Brabantse term) voor sterven. Maar, mocht het dan uiteindelijk toch een keer gebeuren, dan weet mijn liefhebbende vrouw precies welke muziek ze mag draaien bij het afscheid. Niet dat het voor mij veel uitmaakt, maar voor degene die dan mogelijk toch ietwat verdrietig in dat zaaltje zitten, is het natuurlijk een hele troost om nog wat naar leuke muziek te mogen luisteren. Want ja, die toespraken, voor zover er al goede sprekers zijn, die zijn vaak ook niet alles. Haha.

Welnu, als er dan toch 1 nummer gedraaid moet worden. Een nummer wat ik echt perse zou willen laten horen. Dan is het wel: “To Leave Something Behind”, van Sean Rowe. Als een muzikant mij met een stem en tekst ooit geraakt heeft, dan is hij het wel. 

”We are running with the case, but we ain’t got the gold!” 

 

Bankje weg.

In Roosendaal heeft men al jaren geen goede nachtopvang voor daklozen. Die worden doorgestuurd naar Bergen op Zoom. Dit is de korte versie. Een eerder artikel vind je via deze link. De politiek heeft er afgelopen winter zwaar over vergaderd. Er is niets veranderd.

Bij het Huis van de Westrand (het WijkHuis) stond onder de boom op de foto een degelijke bank. Daar werd geslapen door daklozen, en had men dus wat overlast. Wat doet de Gemeente Roosendaal. De daklozen helpen? Een oplossing zoeken?

Welnee. Men haalt het bankje weg.

Dit betekent dat mensen die daar overdag met elkaar een praatje gingen maken er niet meer terecht kunnen. Als dit de manier is waarop beleidsmakers problemen oplossen, wat is dan de toekomst voor onze sociale stad?

Elf jaar geleden

Voor carnavalsvierders heeft het getal 11 een bijzondere betekenis. Maar ook mensen die minder met carnaval hebben, worden geraakt door elf. Wie een beetje googelt, vindt daarover de mooiste verklaringen. Iedereen weet dat het een “gekkengetal” (narrengetal) is. Ook de uitdrukking “hij deed het op zijn elvendertigst” vind ik mooi. Elf overstijgt tien, toont een dubbele eenheid, en is alleen deelbaar door zichzelf.

De Ijsvogel, al elf jaar op mijn arm

Elf jaar geleden wilde ik iets moois vieren. We schreven toen 2009. Ik wilde een bijzondere periode afsluiten in mijn leven. Een soort van herstart vanuit rust maken, zo “vanaf hier”. Ik wist dat ik dat jaar opa mocht gaan worden. En in de jaren daarvoor had ik wat antwoorden op grote levensvragen gezocht, en de antwoorden kwamen telkens zo maar aanwaaien. Als een ijsvogel. Ineens, snel, en mooi. Nu ben ik zelf ook een beetje een rare vogel. Ik hoor bij die mensen die op gelukzalige momenten wel eens rare spontane beslissingen kan nemen. Wie het woord IJSVOGEL intikt op mijn blog Knappers.nl ontdekt daar een levenslange passie voor deze vogel. Unieke ontmoetingen. De ijsvogel zien, staat voor mij altijd gelijk aan een geluksmoment. En omdat ik in 2009 besefte dat ik al jaren een gelukkig mens was, moest het er maar van komen. Elf jaar geleden. Zelfs mijn vrouw was het er helemaal mee eens. We hadden begin dat jaar al een afspraak gemaakt met een vakman op het gebied van tatoeages en hebben toen op 19 mei, de verjaardag van onze zoon, deze ijsvogel op mijn arm laten zetten. Elke dag groet ik hem, elke morgen even voor de spiegel. Hij is een maandje ouder dan mijn prachtige kleindochter. Altijd zit hij klaar. In rust. Geen seconde heb ik er spijt van gehad. Mensen komen en mensen gaan. Niets is blijvend. Maar deze ijsvogel is nooit meer weg gevlogen.

Anthem, Leonard Cohen

We geloven graag dat “geluk maakbaar is. De drang naar perfectie is groot. Het besef dat er in alles ooit een scheurtje komt, daalt wereldwijd in.

Luister eens naar Leonard Cohen met zijn prachtige tekst: Anthem. Nu in Corona tijd zijn zijn woorden troostender dan ooit. Het is wat het is. Tel je zegeningen. En wees blij dat je in Nederland woont.

 

 

ik hoop dat hij iedere dag even komt kakken

Gisteren had ik een klusjesdag. Even niet te veel denken en gewoon wat dingen doen. Na het avondeten, zat ik in de luie stoel, en viel ik in slaap. Geen gewoonte, maar nu ik toevallig een paar snipperdagen heb om eens even rond huis te lummelen, kan je dit overkomen. Het mag. Op het moment van wakker worden, luisterde ik naar een prachtig nummer van Sting. Hij zong net de woorden ‘how fragile we are’. En dat besef kwam binnen.

Twintig jaar geleden was ik zelf een tijdje in de war. Iets met een psychose. Nu, na al die jaren van stabiliteit, werd ik wakker, en leek ik er even vol in te zitten. De film met beelden van de afgelopen weken, ging even aan me voorbij. Ahh, ik was het niet zelf, nee, de hele wereld lijkt in een psychose te zitten. Erger nog. Het is de realiteit. Ja, de wereld is niet in de war. Niet in de zin van de Nederlandse betekenis. WAR, is het Engelse woord voor oorlog. Dat is het. De wereld is in oorlog. Met een raar virus. Men vermoedt (niet zeker) dat de start van het COVID-19-virus in China is begonnen, omdat de mens daar een exotisch schubdier eet. Andere bronnen vermoeden dat het Corona virus een gemuteerd SARS virus is. Belangrijker is natuurlijk wat de mensheid moet doen om het te stoppen.

Ondertussen zorgt de natuur voor zichzelf. Wie een stukje natuur opzoekt, waar weinig mensen zijn, ziet dat er niets aan de hand lijkt. Vogels fluiten als nooit tevoren, worden niet meer gestoord door het vele lawaai dat wij mensen maken. De bomen staan in bloei. De lente heeft nergens last van. Sterker nog, zelden heb ik zoveel troost gezien in mijn tuin. Het lijkt alsof elke plant die in knop staat, elke vogel die fluit mij toeschreeuwt, roept dat er niks aan de hand is. Een paar jaar terug werd onze trouwe tuinvriend de Merel, getroffen door het Usutu virus. Ik las dat dit virus nog steeds rondwaart. Ondertussen zingt in onze tuin de Koolmees het hoogste lied. En ook de Roodborst kan zich prachtig laten horen, zelfs midden in de nacht bij iets te veel stadslicht.

Nu wilde ik iets bijzonders gaan schrijven, over virussen, hoe ze werken, er uit zien, en wat hun functie is. Maar…. de koffiemachine riep me. En terwijl dit apparaat zijn heerlijke lawaai stond te maken zei ik tegen mijn vrouw: “Ik ben een stuk aan het schrijven voor mijn blog, maar het wil niet vlotten….”. Waarop zij opmerkte, “schrijf dan gewoon wat je wil zeggen!”.

Tja, dat is het. Eigenlijk vroeg ik mij gewoon af wat ‘het nut een virus’ is. En dat nut is volgens mij alleen maar zichzelf vermenigvuldigen. Meer kan ik niet bedenken. En dat dit een gruwelijke ellendige tijd is. De wereld gaat al jaren gebukt onder oorlogen. Mensen die elkaar niet vertrouwen. Daar komt dan nog eens een gruwelijk smerig virus over heen. Zou het virus ons iets willen zeggen, dan is het hooguit misschien dat we als mensen wat minder op een kluitje moeten gaan wonen. Zouden we moeten stoppen met dieren eten?

Heeft het virus een functie om ervoor te zorgen dat soorten zich niet te ver uitbreiden op de wereld? Mogen er niet te veel merels zingen? Zou het zoiets zijn…

Hoe dan ook, het lijkt erop dat onze wereld gereset wordt. Vliegtuigen staan op de grond. De mens verbruikt minder energie dan ooit. Lucht wordt schoner, rivieren helderder.

Kijk ik mijn tuin in: Zit er een merel op de tuinstoel. Hij houdt in ieder geval meer dan anderhalve meter afstand!  Kijkt me aan met een blik, dat hij overal schijt aan heeft en poept een lange witte streep over de rugleuning.

Met liefde ga ik de stoel straks even schoonmaken.

Ik hoop dat hij iedere dag even komt kakken hier.

Make love to the canvas! Bob Ross (Remixed)

Op een mooie zaterdag als vandaag zou ik het liefst op de oude BMW een eind zijn gaan toeren in de zon. Prachtig seizoen ervoor. Eind september, de herfst in wording. Vorige week zaterdag besloot een zoldertrapje bij mijn broer echter dat ik niet al te sportief omhoog had moeten gaan. Alsof een mes in mijn kuit werd gestoken. Diagnose: zweepslag. Kuitspier gescheurd, een paar weken rust en wat strompelen met krukken. Komt goed. Altijd blijkt dat een beetje ellende of een tijdelijke beperking de mens geen kwaad kan. Dat ene boek wordt toch weer eens uitgelezen. En bij gebrek aan inspiratie door de natuur (mijn verslaving), halen we die naar binnen. Dan kom je op een gegeven moment ook op YouTube de schildergoeroe BOB ROSS tegen. Ken je hem niet? Hij kwam regelmatig op tv jaren terug. Zoek eens op Youtube en kijk naar zijn korte filmpjes. Heerlijk rustgevend geeft de man schilder les. Meditaties om naar te kijken.

Niet dat ik de ambitie heb om een volgende Lucas van Leyden te worden. Maar gewoon zalig om naar te kijken. Met zijn prachtige relaxte stemgeluid adviseert hij je om “de liefde te bedrijven met het canvas” of om “dat eenzame riviertje nog een boompje erbij te geven”.  Helaas is de man te vroeg overleden. Op YouTube ontdekte ik ook dat iemand deze prachtige remix heeft gemaakt. Het blijft een held.