Iets zegt me,
dat er een groot plan moet zijn.
Dat deze woorden in deze volgorde,
mij nu te binnen mogen schieten.
Want zou dat geen plan, of zoiets zijn,
dan zou ik zeggen dat het toeval was.
En dat u dit vast,
ook ergens anders las!
Iets zegt me,
dat er een groot plan moet zijn.
Dat deze woorden in deze volgorde,
mij nu te binnen mogen schieten.
Want zou dat geen plan, of zoiets zijn,
dan zou ik zeggen dat het toeval was.
En dat u dit vast,
ook ergens anders las!
Witte gij ut?
Wiejut wit
Maggut zegguh.
Witte ut nie,
Dan heddu gin varf zeker !
Wie ben ik ?
Wat wil ik zijn ?
Waarom wil ik winnen ?
Wat maakt mij klein ?
Ik ben ik, en zoek het geluk.
Op jacht naar begrip, en soms van mijn stuk.
Mijn dromen zijn puzzels.
Oplossingen in zicht.
Maar net niet te pakken.
In geen enkel gedicht.
Het werd donker in mijn hoofd, niets hield mij meer vast.
Ruggelings viel ik naar beneden, een eindeloze vrije val.
Die begon met angst, dat dit niet lang kon duren.
Ik wachtte op de klap, seconden leken uren.
Maar het voelde als een plof,
Zachtjes in warm zacht dons.
Mijn angst had ik verloren,
Was ik opnieuw geboren?
Dagelijks Denk ik aan De Dood
eerst Druilerig, Dan Drammerig
een Duveltje dat DoorDringt
in je Diepste Droom……
Liever Leef ik
Luierend in Liefde en
Loop ik te Lachen
Langs het Leven
Iedere Dag haal ik hem in
Die Lafaard van een Duivel
Allen één
Vaak zonder te weten,
Zijn we allen op zoek naar één.
De ene zoekt buiten,
De ander van binnen.
We leveren strijd, we willen winnen.
Op het moment van ten onder gaan,
Als we alles los moeten laten.
Worden we vanzelf gevonden,
En valt er niet meer te praten.
Geen woord, geen beeld.
Van al dat, geen één !
Dan zijn we allen,
Geworden tot één.
De dood
Niet meer dan een zwarte flits,
tussen twee periodes
van helder licht.
Jij moet winnen
Want jij wil voorop
Dwars door die plaat
Die zit voor je kop
Maar kijk nou eens goed
Naar die hele dikke plaat
En laat hem maar vallen
Recht zo die gaat
Dan ligt ie aan diggelen
en heb jij uitzicht
Dan zul je zien
En komen tot inzicht.
Van de tijd is niet te winnen,
met ouder worden, moet je eens beginnen.
Nu ben ik dat gisteren vergeten,
Ik wilde het gewoon niet weten.
Morgen ga ik het toch maar eens doen,
Want “nu” wordt vanzelf weer “toen”.
Laat je door de tijd niet sturen,
Dan zal vandaag, een eeuwigheid duren.
Als het stil wordt om jou heen,
En jij er niet meer bent.
Dan sluit ik mijn ogen,
En nodig ik je uit,
In mijn gedachten.
Dan blijf ik je horen, en kan ik je zien.
Ook al ben je dan dood, verklaard door de geleerden.
In mijn hart en in mijn ziel,
Zul je altijd leven, als ik dat wil.
En lukt het me niet meer,
Je binnen te laten.
Dan blijf ik wachten,
Op jouw komst.