Kahlil Gibran (vreugde …)

Vreugde en verdriet: En toen zei een vrouw: “vertel ons over vreugde en verdriet” en hij antwoordde, zeggende: “Je vreugde is je ongemaskerde verdriet”. De bron waaruit je lach opwelt is dezelfde die maar al te vaak gevuld was met je tranen. Hoe kan het ook anders ? Hoe dieper verdriet in je wezen inkerft, hoe meer vreugde je kunt bevatten. Is de drinkbeker die de wijn bevat niet dezelfde beker die in de oven van de pottenbakker gehard is ? En is de luit die de geest tot rust brengt niet hetzelfde hout dat met messen werd uitgehold ? Kijk als je je verheugt diept in je hart en je zult ontdekken dat enkel wat verdriet berokkent, vreugde schenkt. Kijk als je verdriet hebt opnieuw in je hart en je zult zien dat je in werkelijkheid huilt om wat eens je grootste verrukking was”. Sommigen van jullie zeggen: ”vreugde is groter dan verdriet” en anderen: “nee, verdriet is groter”. Maar ík zeg je: “ze zijn onafscheidelijk”. Tezamen komen ze en als de een aanzit aan je tafel, bedenk dan dat de ander ligt te slapen op je bed. Ja, als de schalen van een weegschaal balanceer je tussen je vreugde en je verdriet. Alleen als je leeg bent, ben je in rust en in evenwicht. Als de schatbewaarder je optilt om zijn goud en zijn zilver te wegen, kun je het rijzen en dalen van je vreugde of je verdriet niet vermijden.  Door Kahlil Gibran (uit: De profeet)

Toeval

Iets zegt me,
dat er een groot plan moet zijn.

Dat deze woorden in deze volgorde,
mij nu te binnen mogen schieten.

Want zou dat geen plan, of zoiets zijn,
dan zou ik zeggen dat het toeval was.
En dat u dit vast,
ook ergens anders las!

Bijna

Wie ben ik ?
Wat wil ik zijn ?
Waarom wil ik winnen ?
Wat maakt mij klein ?
Ik ben ik, en zoek het geluk.
Op jacht naar begrip, en soms van mijn stuk.
Mijn dromen zijn puzzels.
Oplossingen in zicht.
Maar net niet te pakken.
In geen enkel gedicht.

Sterven of geboren?

Het werd donker in mijn hoofd, niets hield mij meer vast.
Ruggelings viel ik naar beneden, een eindeloze vrije val.
Die begon met angst, dat dit niet lang kon duren.
Ik wachtte op de klap, seconden leken uren.
Maar het voelde als een plof,
Zachtjes in warm zacht dons.
Mijn angst had ik verloren,
Was ik opnieuw geboren?

Inhalen

Dagelijks Denk ik aan De Dood
eerst Druilerig, Dan Drammerig
een Duveltje dat DoorDringt
in je Diepste Droom……

Liever Leef ik
Luierend in Liefde en
Loop ik te Lachen
Langs het Leven

Iedere Dag haal ik hem in
Die Lafaard van een Duivel

Allen

Allen één
Vaak zonder te weten,
Zijn we allen op zoek naar één.
De ene zoekt buiten,
De ander van binnen.
We leveren strijd, we willen winnen.
Op het moment van ten onder gaan,
Als we alles los moeten laten.
Worden we vanzelf gevonden,
En valt er niet meer te praten.
Geen woord, geen beeld.
Van al dat, geen één !
Dan zijn we allen,
Geworden tot één.

De plaat voor je kop

Jij moet winnen
Want jij wil voorop
Dwars door die plaat
Die zit voor je kop

Maar kijk nou eens goed
Naar die hele dikke plaat
En laat hem maar vallen
Recht zo die gaat

Dan ligt ie aan diggelen
en heb jij uitzicht
Dan zul je zien
En komen tot inzicht.       

Vandaag

Van de tijd is niet te winnen,
met ouder worden, moet je eens beginnen.
Nu ben ik dat gisteren vergeten,
Ik wilde het gewoon niet weten.
Morgen ga ik het toch maar eens doen,
Want “nu” wordt vanzelf weer “toen”.
Laat je door de tijd niet sturen,
Dan zal vandaag, een eeuwigheid duren. 

Gelooft niet alles wat hij denkt! Bewondert ijsvogels, blote vissen en de blues.